Grosses Haus te Eynatten

Grosses Haus te Eynatten Het dorp Eynatten is zeer zeker de geboorteplek van de familie met dezelfde naam; een van de oudste en de meest machtige families van de hertogdom van Limburg. De goederen, fondsen en heerlijkheden die de familie bezat waren zeer talrijk. Dat gold niet alleen in het hertogdom Limburg, maar de familie werd op veel meer plaatsen aangetroffen, zoals in Condroz, waar ze het prachtige kasteel Abée bezaten en zelfs in Duitsland.
De familie is bekend sinds het midden van de 13e eeuw en naar alle waarschijnlijkheid zijn ze toen ook aan het oorspronkelijke Heerschap Eynatten gekomen. Het bevatte een belangrijk domein en een kasteel dat tegenwoordig is verdwenen, maar waarvan enkele sporen zijn gevonden tijdens opgravingen in de 19e eeuw. Het oorspronkelijke heerschap werd opgedeeld, wat te herleiden is aan de twee in elkaar nabijheid zijnde kastelen die beiden bewoond werden door eigenaren met dezelfde afstamming. Dit verschijnsel is niet verschillend van die van Ruyff en Baelen in Henri-Chapelle, en Thor en Mützhof, in Walhorn.

Het "Vlattenhaus" wordt ook wel het "Grosses Haus" genoemd (in tegenstelling tot het "Kleines Haus", naam gegeven aan het Amstenreadter Haus) en Schenkenhauses "huis van de schenker" .

In navolging van de algemene gewoonte in de streek, ligt het kasteel in een golving van het landschap, 130 meter oost-noord-oost van de kerk en tweehonderd meters ten zuid-zuid-westen van "Amstenraedt". Oorspronkelijk was het een vierhoek, met op elke hoek een robuuste ronde toren. De dikke defensieve muren kwamen 3 a 4 meter boven het omringende water uit. De entree was naar de noord-noord-oost, in de as van de huidige stenen brug. Een curieus detail is dat er op de gewelven van bogen aanslag te zien van het water. Dat veronderstelt dat er op een bepaald moment een overstroming geweest is. Waarschijnlijk is de stenen brug een vervanging van een voormalige ophaalbrug.

Vlattenhaus was een waterburcht, maar groter dan allen in de streek en met z'n vier torens had hij geen betoog in het oude Hertogdom. Deze bijzonderheid - klassiek in andere landstreken - maakte het de eventuele aanvallers zeer moeilijk, met de grote muren achter de gracht. Twee ronde uitstekende torens op de hoeken konden de verdedigers op de muren nog ondersteunen. Het was de toepassing van de oude militaire grondbeginsel van het kruisvuur. Het "Vlattenhaus" was dus beter versterkt dan alle andere herenhuizen in de omgeving. Dit had zeker te maken met de faam van de bezitters en de belangrijk rol die zij speelde in de defensie van de territorium.

In het centrum van hun bezittingen bouwden in 1761 de Jezuïetenorde uit Aachen (Duitsland) een kleiner gebouw dan het oude. Het had het niets meer van een Herenhuis, met zijn zandstenen muren van slechts één verdieping hoog, vensters met een gewelf in de stijl van Lodewijk XV en een naar twee kanten gewelfd dak. Bij de topgevel noord-nood-oost een aanbouw met een kleine portiek tegenover de toegangsbrug. In het midden van de 19e eeuw stortte een groot deel van het gebouw in, dit werd weer opgebouwd. In september 1944 tijdens de gevechtej tusen de Amerikaanse en Duitse legers trof een Amerikaanse bom het "Vlattenhaus" en zorgde voor een grote beschadiging. De portiek en het noord-noord-oost deel was helemaal vernietigd. De rest wacht nog op restauratie.

Bij de verdeling van de nalatenschap van Thibaut van Eijnatten kreeg de oudste zoon Peter van Eynatten het oude familiekasteel. Na de instorting van dit kasteel bouwde hij, in de eerste helft van de 14e eeuw, in de buurt een nieuw kasteel: het "Grote Huis", later het "Vlattenhaus" genoemd.
Het kasteel gaat over naar hun zoon Mathillion van Eynatten, getrouwd met Catharina van Bombaye; dan naar hun dochter Catharina van Eynatten, die in 1424 trouwt met Johan Thoreel, Heer van Bernaeu.
Hun dochter, Johanna Thoreel, erft het huis en door haar huwelijk in 1475 met Heinrich von Vlatten komt het kasteel in de familie Vlatten.
Heinrich von Vlatten was erfelijk schenker van de Hertog van Gulik, dit was ook de reden dat in dit tijdperk het kasteel "Schenkenhaus"genoemd werd.
Zijn zoon Conrad von Vlatten, evenals zijn vaderlijk ook erfelijk schenker van de Hertog van Gulik, neemt het kastel over en daarna gaat het naar zijn zoon Renard von Vlatten, eigenaar in 1539.
Na de dood van Renard von Vlatten doen zijn zijn kinderen afstand van hun rechten ten gunste van hun broer Bertrand (1597). Hij geeft het kasteel in 1602 aan de kinderen van zijn broer Heinrich, maar hij kocht het in 1616 weer terug.
In 1627, is het kasteel overgegaan naar Conon von Vlatten (zijn zoon?), die overleed in 1634, na zijn huwelijk met Catherina Scholl.
Zijn zoon Conon von Vlatten krijgt het kasteel in 1651; hij trouwt met Maria Catherina Hanotte en overlijd in 1663.
Zijn kinderen waren een lange tijdperk in de mede-eigenaren, zij verkavelen en verkopen uiteindelijk een onderdeel van de domein.
In 1696 wordt het kasteel door een echtgenoot van een van de mede-eigenaren, stadhouder Frans Hanotte gekocht.
Het laatste deel werd door Jean Jacques van Vlatten verkocht in 1703. Frans Hanotte overleed het jaar daarop.
Na de dood van Frans Hanotte gaat het kasteel over naar zijn zoon Jean Olivier, die overleed op 14 maart 1714, waarna het kasteel overgaat naar zijn moeder. Deze schenkt het kasteel aan de Jezuïeten van Aken, die volledig eigenaar waren in 1732.
Het oude herenhuis gebouwd door Peter van Eynatten in de 14e eeuw werd ten gronde gericht, slechts het fundament bleef over en er werd een "vakantiehuis" op gebouwd.
Zij werden wat ten tijde van de opheffing van hun orde in 1733 onteigend. Drie jaren later, werd het eigendom door de overheid verkocht aan Theodore Thyssen, op rekening van zijn schoonvader Arnold Römer-Lambertz. Deze laat het in 1788 na aan zijn dochter Anna Catherina, die het alter weer vermaakt aan haar nicht Sybille Thyssen, vrouw van Willem Birven van Astenet.
In 1837 gaat het kasteel over naar zijn zoon, Nicolas Birven, en na zijn door in 1871, naar nicht Frédérica Baur, vrouw van Hugo Fr. Th. Ed. Talbot, rentenier uit Aken.
Ze overleed kinderloos in 1904 en het "Vlattenhaus" werd het eigendom van Peter Reuther, uit Aken, die het in 1909 verkocht aan Charles Beaucamp, uit Aken, echtgenoot van Elisabeth Kesselkaul.
Na de oorlog van 1914-1918 werd het kasteel verbeurd verklaard en voor een tijdje zelfs al schuur gebruikte.
In 1942 werd er weer begonnen aan het herstel, maar in 1944 werd het wederom vernietigd.


Kleines Haus te Eynatten

Kleines Haus te Eynatten De namen Amstenraedt en Reuschenberg laten zien dat in vroeger de kastelen genoemd worden naar de familienamen van de eigenaren. Dit geldt ook voor het Vlattenhaus, het Waldenburghaus en het Philippenhaus (waarover later meer). Momenteel is het Amstenraedter Haus meer bekend onder de naam Herrenhaus.
Dit oude en zéér interessante landhuis ligt 200 meter ten maden van de kerk van Eynatten en 200 motor ten noord-noord-oosten van het Vlattenhaus. Tussen deze twee landgoeden liggen boerderijgebouwen en een vijver waarin waterhoenderen rond zwemmen.
Het Amstenraedter Haus is, net zo als het Vlattenhaus, helemaal omringd door water, maar is zodanig op het vlakke eilandje gebouwd, dat het toch mogelijk is helemaal om het kasteel heen te lopen. Het Amstenraedter Haus is alleen toegankelijk via een stenen brug ten zuidoosten ervan. Van deze kant af gezien, is het wateroppervlak zo uitgestrekt dat het eerder op een meer lijkt dan op eenvoudige grachten. Dit droeg trouwens bij tot het vergroten van de veiligheid van het kasteel. Men kan zich afvragen waarom men zich in die tijd vaak tevreden stelde met het graven van relatief smalle slotgrachten om deze gebouwen, terwijl het grote verval van de beekjes veel grotere en doeltreffender verdedigingswerken mogelijk maakte. Misschien moet men er rekening mee houden dat de eigenaren van de tamelijke kleine leengoederen van het hertogdom Limburg, aarzelden om hun vruchtbare landbouwgrond (nodig voor hun bestaan) op te offeren aan grachten ter verdediging. Het kasteel omvat twee rechthoekige compacte gebouwen die parallel ten opzichte van elkaar liggen. Ze zijn met elkaar verbonden aan de noordoostzijde door middel van een derde gebouw. Aan de tegenoverliggende zijde door een muur van dezelfde hoogte, zodat de kleine binnenplaats geheel omsloten is. Aan deze muur is een naar binnen toe gericht afdak gebouwd en een trap die naar de eerste etage leidt. Aan de buitenkant van de muur (in het verlengde naar de brug) een kleiner, vierkant voorportaalgebouw uit de zeventiende eeuw dat minder hoog is dan de andere gebouwen. Zijn vierzijdige torenspits is versierd met een dakvenster en helemaal bovenin een weerhaan. Het kasteel heeft slechts één bovenverdieping. De ramen zijn klein en gering in aantal. Sommige ramen zijn ooit veranderd en vergroot. De daken van de twee vleugels bestaan uit vier hellende vlakken die met leisteen zijn bedekt. Ze zijn zeer bezonder door hun hoogte en hun afmeting. Hun nok is versierd met weerhaantjes en hoger dan het dak van het gebouw dat de twee vleugels verbindt. Het is voorzien van enkele kleine dakvensters, en steekt ruim over de gevels heen en steunt op houten muurankers.
Het grondgebied rond het Amsterraedter Haus was afhankelijk van een gebied behorend tot de familie van Eynatten (evenals het Vlattenhaus), maar aanvankelijk bestond er slechts één kasteel. We hebben in het voorgaande reeds kunnen zien dat tijdens de verdeling van de bezittingen van Thibaut d'Eynatten, zijn oudste zoon Pierre d'Eynatten werd aangewezen als opvolger van het kasteel (door laatstgenoemde het Grosses Haus genoemd). De jongste zoon Jean d'Eynatten kreeg een ander deel van het familiegrondbezit en liet daar een versterkt kasteel bouwen (ca. tweede helft vijftiende eeuw) dat men Kleines Haus noemde om het van het ander kasteel te onderscheiden. Dat is de oorsprong van het huidige Amstenraedter Haus.

In zijn boek "Eupen en omgeving" zegt Rutsch, dat de historie van deze twee naburige bezittingen zo warrig is dat het bijna onmogelijk is met zekerheid de opvolgingen op te noemen. Zo zegt hij dat het kasteel Grosses Haus in de vijftiende eeuw toebehorde aan Colyn Beissel en Jaques de Rabothrath, vervolgens aan de weduwe van Binsfeld. geborene Elisabeth de Bensenraedt. In werkelijkheid blijkt het kasteel over te zijn gaan van Jean d'Eynatten, (die het heeft laten bouwen) aan zijn oudste zoon uit het huwelijk met Marguerite van den Bongard eveneens Jean d'Eynatten. Deze trouwt in 1398 met Jeanne de Neubourg. De bezittingen worden na hun overgenomen door hun zoon Thibaut of Théobald d'Eynatten, echtgenoot van Catherine van Mulken. Na hun dood gingen de bezittingen over op hun zoon Servais d'Eynatten, die in eerste instantie trouwde met Adélaïde de Schönradt (ca. 1505) en in tweede instantie met Gertrude (de) Bock. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon; Joan Nicolas d'Eynatten (ca. 1536) die het landgoed erfde en trouwde met Marie de Schwartz de Hirtz. Hun dochter Agnes kreeg het op haar beurt in bezit, en door haar huwelijk met Jacques de Reuschenberg kwam het landgoed in deze familie terecht.

Kleines Haus te Eynatten Vanaf deze tijd noemde men het huis dan ook Reuschenberger Haus. Het hele goed gaat over in handen van hun dochter Catherine de Reuschenberg die getrouwd was met Gothard de Harff. Zij krijgen een zoon, eveneens genoemd Gothard de Harff, die later trouwt met N. Huyn d'Amstenraedt. Eenmaal eigenaar geworden van het landgoed, schenkt hij het in 1611 aan zijn zuster Anne de Harff bij gelegenheid van haar huwelijk met Frambach de Gulpen. Maar deze schenking leidt tot niets want er zijn geen erfgenamen uit dit huwelijk. Bij hun beider overlijden gaat het bezit terug naar hun neven, de nog minderjarige kinderen van zijn broer Gothard de Harff. Deze geven het in handen van hun oom (van moederskant) Arnold Huyn d'Amstenraedt, heer van Brusthem (1647). Hij was het die het voorportaalgebouw aan de voorzijde liet bouwen. Na zijn dood kwam alles toe aan zijn dochter Claire Anne Huyn d'Amstenraedt en haar man Gérard van Dieden Malatesta, ruiterkapitein in het leger van koning Philippe IV. Deze sterft aan het einde van het zeventiende eeuw. In 1701 kwamen de bezittingen door hypothécaire schuld in handen Graaf Philippe Guillaume de Hoensbroeck, ondanks vele verzoeken van de weduwe van de overleden eigenaar. De kinderen van Gérard van Dieden Maletesta lukt het echter de schulden door middel van een lening van Nicolas Moeren uit Aken af te lossen. Zij blijven in het bezit van het kasteel, maar verkopen het in 1704 aan hun geldschieter, de eerdergenoemde Moeren. Deze sterft in 1709 en het landgoed gaat over op zijn dochter Jeanne Moeren die in 1687 met Jean Gaspard Deltour getrouwd was. Deze liet het kasteel ingrijpend veranderen en gaf het er het huidige karakter aan. In 1733 valt alles ten beurt aan zijn oudste zoon Jean Jacques Joseph Deltour. Deze laatste doet het bezit over aan zijn nicht Anno Marie Thérèse Deltour, die in 1746 trouwt met Nicolas Léonard Charlier oudkapitein in het Oostenrijkse leger. In 1788 verkoopt deze het goed aan Arnold Römer-Lambertz, die inmiddels al eigenaar geworden was van het Vlattenhaus. Hij laat het Amstenraedter Haus na een zijn dochter Sybille Lambertz, echtgenote van André-Joseph Franssen uit Maastricht. Die sterft in 1845. Zijn zoon, André-Joseph Franssen-junior erft alles en zijn kinderen volgen hem op hun beurt op. Onder deze kinderen bevond zich ook Ferdinand-Jean-Jaques-Hubert Franssen, rechter aan het hof van justitie te Heinsberg. Deze bleef waarschijnlijk uiteindelijk alléén over als eigenaarerfgenaam, want zijn kinderen erven het landgoed. Eén van hen, André-Joseph-Hubert-Robert Franssen wordt eigenaar (bij notariële akte van notaris Schäfer te Aken op 9 februari 1903); hij sterft in 1946. Hij was die op 25 juli 1938 in de adelstand werd verheven en de titel baron kroeg, alsmede het recht om "de Cortenbach" aan zijn naam toe te voegen (een vroeger bezit van zijn familie te Membach). Zijn weduwe. geboren Marie Tychon en kinderen worden erfgenamen en eigenaar van het oude Herrenhaus.